Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.Gij, Die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God de HEERE is.
Nederlandse Bijbel 1917
Domaine public
📱
Diese App installieren
Teilen antippen, dann Zum Home-Bildschirm
Unseren Newsletter abonnieren
Bleiben Sie über neue Profile, Veranstaltungen und Plattform-Updates informiert.